Ann Veronica Janssens

Bleu Red Yellow

Ann Veronica Janssens   Bleu Red Yellow

source: berliner-kuenstlerprogrammde
Born in 1956 in Folkstone (England), lives and works in Brussels. Photography, video, sculptures, installations. Ann Veronica Janssens stepped into the public area with her installations, which find their roots in minimalist art. She constructs rooms and sculptures with simple building materials, above all making allowance for all aspects of the light, thus appearing as ephemeral. Clear, geometric forms are a dominant feature of her sculptural work.
.
.
.
.
.
.
.
.
source: ronnyvandevelde
Ann Veronica Janssens is een beeldhouwer van het licht, van het geluid en van de ruimte. Ann Veronica Janssens gaat bijna altijd op minimale wijze te werk zonder echt bij de minimal art te horen. Dat haar werk echter wel eens met de minimalistische stroming in verband wordt gebracht komt door de heldere vormgeving en de materiaalkeuze: transparant, glanzend of juist verdicht en schijnbaar ontoegankelijk.
Het materiaal waarmee ze werkt is zeer uiteenlopend van aard. Soms gebruikt ze betonblokken, bakstenen al dan niet verpakt in aluminium folie, glas, spiegels. Dikwijls weerkaatst het licht en ook de omgeving en dit zorgt voor een verrassend optisch effect. Ze gaat zelfs nog een stap verder en vult een tentoonstellingsruimte met ‘lucht’ onder de vorm van stikstofdamp. Ze creëert banken waarin door lichaamswarmte de afdruk verschijnt van de persoon die erin zit. Ook met klank kan ze haar accent op de ruimte laten doorwegen, kan ze de ruimte bezetten. In andere kunstwerken gebruikt ze dan weer enkel woorden die aan het geheugen en de associatie van de toeschouwers appelleren.
Maar het belang van de relatie van deze voorwerpen tot de gegeven ruimte is kenmerkender. Ann Veronica Janssens werkt altijd in situ en haar werk heeft altijd betrekking op de ruimte: een open of gesloten ruimte, vol of leeg, klein of uitgestrekt. In elke tentoonstellingsruimte brengt ze minuscule maar soms ook complexe ingrepen aan.
Veel van die manipulaties staan in correlatie met de architectuur van het gebouw of plaats waar ze tentoonstelt. De toeschouwer kijkt zo op een heel andere manier naar die omgevende ruimte, ervaart ze op een andere wijze. Zij doet met haar vluchtige en vaak tijdelijke werken een beroep op de zintuigen van de toeschouwer. Wat overblijft is een impressie, die uit het subtiele samenspel tussen waarneming en verbeelding is gevormd.
Waarneming, ervaring, ruimte, leegte, tijd, (on)stoffelijkheid en oneindigheid zijn de sleutelbegrippen in haar minimalistisch geïnspireerde oeuvre. Door het immateriële zichtbaar en voelbaar te maken, leidt de kunstenares de gedesoriënteerde bezoeker binnen in een universum van onbekende ervaringen. Anders dan de conceptuele kunst, die juist afstand nam van de esthetische ervaring van het object, prikkelt Ann Veronica Janssens juist de zintuigen in haar kortstondige installaties waarin zij de bezoeker tot acteur maakt. Beleven, bewegen, aanraken wordt middels haar werk gevoeld in lijf en leden. Tijd en tijdelijkheid worden gematerialiseerd doordat zij de voorwaarden schept. Wellicht geeft zij daarmee ook een andere kijk op dat verre verleden toen de meesters van de illusie met hun wolkenhemels de mens meevoerden naar de grens tussen hemel en aarde, tussen het nu en het hiernamaals. Paradoxaal genoeg worden de elementaire werken van Ann Veronica Janssens daarom wel barok genoemd.
De situaties die Ann Veronica Janssens de bezoeker aanbiedt zijn sculpturen in de eigenlijke zin van het woord. Haar ruimtelijke ensceneringen zijn nooit vanaf een enkel punt te overzien, of het nu gaat om haar werk met holle spiegels of met minder tastbare materialen als geluid, licht, rook of mist.
Ann Veronica Janssens maakte eens een stapeling glasplaten waarin de kleuren groen, blauw en purper zichtbaar werden op de grens van lucht en glas Belgicisme – Objet dard, 1988.
Of zij articuleert een ruimte met spiegels en soms versterkt zij de illusie door de spiegel een bijzonder vorm te geven. De kijker wordt verleid hem aan te raken maar weet niet meer of hij nu convex (bolrond; naar de rand aflopend) of concaaf (holrond; naar rand oplopend), opaak (ondoorschijnend) of transparant (doorschijnend) isCorps noir, 1994.
Het werk Phosphènes, 1995, toont op een conceptuele manier haar affectie hiervoor. Fosfenen zijn lichtverschijningen die men kunstmatig kan oproepen door met de vingers op de oogbol te drukken maar ook in bepaalde bewustzijnstoestanden kan waarnemen als verschillende vormen.
Soms laat zij het bij een enkel woord als zij de bezoeker via simpele naambordjes in de museale ruimte alleen maar de volgende tekst meegeeft: ‘Tien centimeter boven de grond vibreert het licht.’ Openstelling Openmuseum, Hasselt 1997.
De angst voor de leegte wordt lichamelijk voelbaar als zij een ruimte vult met een dichte mist Horror Vacui, 1999.
In L’Espace Infini , 2002. De oneindige ruimte, wordt de figuur geabsorbeerd door het licht en de ruimte, zoals mystici op zoek naar een absolute beleving zich door het goddelijke licht laten overstralen.
2003 – In het paviljoen van De Verbeelding toont Ann Veronica Janssens een foto, een object en daarnaast een DVD met 5 filmpjes van haar en één filmpje over haar, gemaakt door Hans Theys. Op internet is eveneens een kort filmpje over haar te zien gemaakt door Hans Theys.
.
.
.
.
.
.
.
.
source: i-aceu
Née en 1956 à Folkestone (Grande-Bretagne). Vit à Bruxelles.
Ann Veronica Janssens développe depuis la fin des années 70 une œuvre expérimentale qui privilégie les installations in situ et l’emploi de matériaux volontairement très simples, voire pauvres (bois aggloméré, verre, béton) ou encore immatériels, comme la lumière, le son ou le brouillard artificiel. A travers des interventions dans l’espace urbain ou muséal, l’artiste explore la relation du corps à l’espace, en confrontant le spectateur (voire en l’immergeant) à des environnements ou dispositifs qui provoquent une expérience directe, physique, sensorielle, de l’architecture et du lieu, et qui renouvellent à chaque fois et pour chacun l’acte de perception. Les premiers travaux d’Ann Veronica Janssens étaient – c’est ainsi que l’artiste les nomme – des « super spaces » : « des extensions spatiales d’architectures existantes », « des endroits pour capturer la lumière, le ciment et des caisses en verre, des espaces conçus comme des tremplins vers le vide » (in Ann Veronica Janssens, Musée d’art contemporain de Marseille, 2004). Un vide que l’artiste voulait « mettre en mouvement, lui conférant une sorte de temporalité ». Dans cette réflexion sur le vide et à travers des installations minimalistes, les œuvres de l’artiste ont pour objectif de déstabiliser les habitudes perceptives, de fluidifier ou densifier la perception, en jouant avec la matérialité, grâce à la lumière.
Les recherches d’Ann Veronica Janssens ont ainsi, au cours du temps, conduit l’artiste à expérimenter diverses modalités plastiques propres à perturber la perception : du miroitement des surfaces aux couleurs mouvantes de matériaux chimiquement sensibles à la lumière, en passant par les mélanges instables de matières et les effets hypnotiques de séquences lumineuses alternées.
Pour l’exposition Collection(s) 08 (8 février – 13 avril 2008), l’Institut d’art contemporain a invité Ann Veronica Janssens à recréer son Cabinet (en croissance) ou laboratoire pour ce que l’artiste nomme des « essais », depuis les projets jusqu’aux œuvres finalisées, des maquettes aux expérimentations. Les travaux présentés dans cette salle expérimentale ont cristallisé une donnée fondamentale de la démarche d’Ann Veronica Janssens : le temps qui s’écoule durant l’expérience du spectateur participe de la sculpture, de même que l’espace tout entier qui accueille l’œuvre (exemple : Blue, Red and Yellow, 2001, sculpture-matrice des futures environnements à brouillard coloré).
Avec les œuvres d’Ann Veronica Janssens, le spectateur est confronté à la perception de « l’insaisissable » et à une expérience sensorielle où il franchit le seuil de la vision claire et maîtrisée, où il perd le contrôle de ses sens. Même s’ils induisent aussi des expériences physiologiques, les travaux d’Ann Veronica Janssens se distinguent de l’art optique des années 1950-60 et ne reposent pas sur des effets formels à décoder. S’il y a du spectaculaire chez elle, c’est celui d’une déconstruction de l’objet, « au-delà du miroir », au sens où le spectateur est ramené de façon tout à fait fondamentale à son corps et à ses émotions perceptives profondes, à une expérience active de la perte de contrôle, de l’instabilité, qu’elle soit visuelle, physique, temporelle ou psychologique. L’usage du brouillard artificiel va dans ce sens et les œuvres qui l’utilisent plongent le spectateur dans une situation où la perte de repères ouvre un espace imaginaire, vide de matière, où le corps bascule hors du temps et de l’espace.